Mooie prestaties van Haarlemse oratoriumkoren
Het tragische Credo van Hans Kox
KLASSIEKE MUZIEK - RECENSIE ALBERT BROGGEN
Concert 'Haarlem 750' onder auspiciën van de Federatie
van Haarlemse Zang- en Oratoriumverenigingen. Koor Katholiek Haarlem, COV
Haarlem, COV Door Zang Vriendschap en Haarlems Gemengd Koor, m.m.v. Bernadette
Degelin, sopraan, Margareth Beunders, alt, Alex Vermeulen, tenor, Wout
Oosterkamp, bas, en
het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Concertgebouw
Haarlem, 16 november 1995.
Vier omvangrijke Haarlemse oratoriumkoren stellen zich om
beurten achter het Noordhollands Philharmonisch Orkest op. Allereerst zingt het
honderdkoppige Koor Katholiek Haarlem Mozarts Sacramentslitanie KV 243. Ondanks
zijn massaliteit reageert het koor dynamisch genuanceerd en met pittige accenten
op de directie van Ger Vos. De koorklank is fraai (sopranen in het Viaticum!) en
er wordt - o heerlijkheid - zuiver gezongen. Bernadette Degelin valt op door
haar doordringende en kernachtige sopraan, Alex Vermeulen heeft een mooie tenor,
maar ook wat moeite met zijn coloraturen. COV Haarlem zingt de Missa in Tempore
Belli (mis in oorlogstijd), door Haydn geschreven tijdens de Frans-Oostenrijkse
oorlog. De bijnaam Paukenmesse is ontleend aan de pauken die kanongebulder
suggereren en een verrassend contrapunt vormen met het Dona nobis pacem (geef
ons vrede). Een andere verrassing is de mooie cello-obligaat bij het Qui tollis
van Wout Oosterkamp. COV zingt partijvast en fris en Harry Brasser heeft zoals
gewoonlijk, alles stevig in de hand. De avond culmineert in het minder
vanzelfsprekende geloof van Das Credo quia absurdum, de cantate die Hans Kox in
opdracht van de Federatie voor dit concert schreef. De COV Door Zang
Vriendschap, Haarlems Gemengd Koor en twee solisten (Degelin en Oosterkamp)
zingen op een collage van teksten waarin onder meer joden, christenen en moslims
hun geloof belijden in één God. Met koren, koralen, recitatieven en aria's
heeft Kox een monumentaal werk opgebouwd dat vanaf het alarmerende begin tot aan
het aarzelende slot zijn dramatische spanning behoudt. Kox behoort niet tot de
componisten die steeds opnieuw het wiel moeten uitvindend. Hij verwerkt
elementen uit onze rijke muziekcultuur die hem dienstig lijken en weet zodoende
heel doeltreffend zijn intenties te verwezenlijken. Indrukwekkend is het aandeel
van het koor dat als een belijdende volksmassa zingt op de tekst van het
Latijnse Credo en op fragmenten uit het Oude en Nieuwe Testament. 'Et incarnatus
est' (en is vlees geworden) wordt onderbroken door de sopraan die op een bittere
tekst van Nietzsche zingt "Auch Gott hat seine Hölle, dat ist seine Liebe
zu den Menschen". Het is een van de citaten uit niet-heilige boeken, die de
tragische stemming van de cantate verklaart, een stemming die vooral ook
hoorbaar is in het suggestief geďnstrumenteerde orkest. Ed Spanjaard sleept de
beide koren (ingestudeerd door hun dirigenten Piet Hulsbos en Christiaan Winter)
met duidelijke gebaren door de moeilijke passages. Zij dienen om hun inzet en
moed geprezen te worden. Bernadette Degelin en Wout Oosterkamp beheersen hun
helslastige aria's en maken er soms aangrijpende momenten van.